Wenden we ons dus met open zinnen tot de natuur om de vele genoegens te smaken die ze ons te bieden heeft. […] Evenzovele gewaarwordingen van de luister van de aarde, van de onbeschrijflijke schoonheid van de natuur. Op sommige momenten van intense zintuiglijkheid kunnen we overvallen worden door het onverdachte gevoel van harmonie en overeenstemming tussen ons en de wereld. […]Deze gelukservaringen zijn niet te voorzien en nog minder te plannen, al kunnen we wel onze ontvankelijkheid ervoor cultiveren en omstandigheden opzoeken die ze begunstigen. Ze vallen ons onverwacht toe als een geschenk, zoals misschien wel al de belangrijkste dingen van het leven.
Ton LEMAIRE, Met open zinnen. Natuur, landschap, aarde, Ambo - A’dam, 2002, p. 272-273
Stilte bestaat uit onuitgesproken woorden. […] Maar de sterkste herinneringen heb ik aan de Zwarteberg, want daar heb ik geleerd van alles te houden waar ik nog altijd van houd: het gras en de wilde bloemen ertussen, de boomgaarden de bomen, de sparrenbossen, de paarden en de koeien in de uitgestrekte weiden, mijn geit waarvan mijn vader de horens had verguld, de ezelin Martine en het ezelsveulen Printemps, mijn rijdieren, […] mijn schaap dat het leuk vond om zich in het gras te rollen, de konijnen die vrij rondliepen en in het kreupelhout speelden, […] de oude hond wiens einde ik op een ochtend door een geweerschot heb horen verkondigen, en dat was mijn eerste groot verdriet – ik was toen acht.
Marguerite YOURCENAR, Met open ogen. Gesprekken met Matthieu Galey, Ambo – Baarn, 1980, p. 18
Het pad: een strook aarde waarover je loopt. De weg verschilt van het pad, niet alleen omdat er auto’s op rijden, maar omdat hij een lijn is die twee punten verbindt. De weg heeft op zichzelf geen zin; zin hebben slechts de twee punten die hij verbindt. Het pad is een ode aan de ruimte. Elk stukje ervan heeft zin en spoort ons aan om stil te houden. De weg is een triomfantelijke ontwaarding van de ruimte, die daardoor louter een hindernis voor de menselijke beweging is geworden, en tijdverspilling.
Voordat de paden verdwenen uit het landschap, verdwenen ze uit de menselijke ziel: de mens wilde niet meer lopen, zijn benen gebruiken en daar plezier aan beleven. Ook zijn leven lang zag hij niet meer als een pad maar als een weg: een lijn van het ene punt naar het andere, van de rang van kapitein naar de rang van generaal, van de status van echtgenote naar die van weduwe. De tijd om te leven werd louter een hindernis die steeds sneller moest worden overbrugd. […]
In de wereld der wegen betekent een mooi landschap: een eiland van schoonheid, door een lange lijn verbonden met andere eilanden van schoonheid. In de wereld der paden is schoonheid ononderbroken en altijd wisselend; bij elke stap vraagt ze: blijf even staan.’
Milan KUNDERA, Onsterfelijkheid, Ambo – Baarn, 1990, p. 241
Het bijzondere aan stilte is dat je haar weldadigheid alleen kan beléven. En beleven is altijd alleen NU. In het huidige moment. Nooit vroeger, nooit later. Zonder beleving kan je er eigenlijk niet zinnig over spreken. Elk spreken over stilte is als een vinger die naar de maan wijst, is nooit de maan zelf. Hoe toon je dan stilte? Stilte kan je alleen tonen door mogelijkheden aan te reiken om stilte zelf te beleven.
Monumenten van stilte, Centrum Waerbeke – Geraardsbergen, 2005, p. 7